Lezingen, aankondiging en verslagen

 

Aankondiging van lezing door archeoloog dhr. Tuinstra op 21 april 2022

Op 21 april 2022 wordt een lezing verzorgd door de heer Jasper Tuinstra MA, senior KNA-archeoloog bij RAAP Onderzoeks- en Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie in Nederland. De plaats en tijd is aangegeven in de rubriek Actueel.

RAAP adviseert overheden, bedrijven en particulieren bij projecten op het gebied van infrastructuur, bouw, energie, erfgoedbeleid, waterbeheer en natuurontwikkeling. Deskundigheid en enthousiasme worden ingezet om de samenleving te betrekken bij activiteiten. De verhalen over het verleden delen zij graag met het publiek, waarvan deze avond een voorbeeld is. Het onderwerp betreft recente opgravingen bij Kasteel Nijenbeek in Voorst en aan de Vlijtseweg in Apeldoorn. 

 

Verslagen van lezingen 

Introductie van de lezingen na coronatijd. Op 22 februari 2022 verzorgde de heer Henk Koopman uit Diepenveen een levendige, uitstekend onderbouwde lezing over de inzet van het V1-wapen door de Duitse bezetter aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Op 23 februari 1945 veroorzaakte een ontspoorde V1-raket een ongeluk in Eerbeek. Ook elders in het gebied van De Marke deden zich veel van dergelijke ongelukken voor. Zie hieronder het bijbehorende verslag.

Deze lezing zou oorspronkelijk begin 2020 plaatsvinden ter gelegenheid van de 75-jarige viering van het einde van de oorlog, maar werd destijds als gevolg van de coronabeperkingen uitgesteld. Bijna vijftig bezoekende leden volgden de lezing nu met grote belangstelling en waren bovendien blij elkaar weer in vrijheid te kunnen ontmoeten, ditmaal in het Cultuurhuis Pater Dekker in Eerbeek.
 

Verslag van lezing over De inzet van de V1 vanaf Nederlands grondgebied in 1945

De V1 was het eerste Vergeltungswaffen waarmee de Duitsers tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog probeerden alsnog het tij te keren. De V1 was een onbemand vliegtuig met een simpele pulsemotor. De officiële aanduiding van de V1 was Fieseler 103 (Fi 103), het prototype werd namelijk ontwikkeld door de Gerhard Fieseler Werke. Codenaam was FZG 76 ( Flakzielgerät). Pas later is om propaganda redenen de V voor Vergeltung in gebruik gekomen.

Het uiteindelijke gewicht van de V1 bedroeg 2200 kg. Was 8 ½ meter lang, had een spanwijdte van 5,4 meter en had 515 liter brandstof bij zich. 

De kruissnelheid bedroeg ongeveer 600 km/u., vlieghoogte tussen de 350 m en 2100 m en het bereik was aanvankelijk max. 240 km en tegen het einde van de oorlog zo’n 375 km. Als springlading werd 980 kg Amatol gebruikt, maar later ook nog het zeer explosieve (en schokgevoelige!) Trialen.
  
De V1 viel organisatorisch onder de Luftwaffe en werd afgeschoten door het Flak Regiment 155 (W). Dit stond onder commando van Oberst Max Wachtel. De V1’s werden voornamelijk door de VolkswagenWerke en de Mittelwerke gebouwd.

De pulsemotor was niet in staat om de V1 op snelheid te brengen daarom moest er gebruik worden gemaakt van een startbaan om hem de benodigde beginsnelheid te geven. De V1 werd gelanceerd vanaf een lanceerbaan met behulp van een soort stoomkatapult, de Walter-katapult (genoemd naar de uitvinder Prof. Walter). Naderhand is de V1 ook vanuit de lucht door middel van de Heinkel 111 bommenwerper gelanceerd; onder andere vanaf de Nederlandse vliegvelden Venlo en Gilze-Rijen. Maar dit soort lanceringen bleek erg gevaarlijk en minder nauwkeurig.

De lanceerbanen, die - als de betonsokkels er eenmaal stonden - in vrij korte tijd konden worden opgebouwd en gedemonteerd, stonden aanvankelijk vooral in Normandië en Bretagne; meer dan 100. Van 13 juni tot 1 september 1944 werden daar vandaan 8600 V1’s naar Londen gelanceerd. 2400 van deze toestellen zijn daadwerkelijk op Londen zelf terecht gekomen. 

Na de invasie in juni 1944 dreven de geallieerden het Regiment steeds verder noordelijk totdat op 1 september 1944 er geen baan in Noord-Frankrijk meer bezet was en het V1 offensief op Engeland teneinde was. Medio oktober 1944 werden er stellingen betrokken in de Eiffel en het Sauerland om hiermee Antwerpen onder vuur te nemen.

Tegen eind 1944 werden in Overijssel en Gelderland vierentwintig van zulke startbanen gebouwd, waarvan er vijftien gebruikt zijn om V1’s af te schieten met als doel Antwerpen, zowel het centrum als de haven. Het wapen was nog niet geheel uitontwikkeld toen het in de strijd werd geworpen met als gevolg dat niet alleen Antwerpen te lijden had onder de V1, maar ook de aanvliegroute, de zgn. V1-alley. Heel veel V1’s stortten er vroegtijdig neer. 

Het grootste ongeluk in het gebied van vereniging De Marke trof Eerbeek op 23 februari 1945, ’s morgens om 11.00 uur. Een haperende V1 stortte neer in het dorpscentrum, op het kruispunt Stuyvenburchstraat/Illinckstraat, explodeerde en richtte enorme verwoestingen aan. Er waren vrij veel mensen op straat, waardoor er elf doden en dertig gewonden te betreuren waren. De meeste slachtoffers vielen in en dichtbij de openbare school, waarin veel Arnhemse evacués onderge-bracht waren. Het hele verhaal is beschreven in het boek Oorlog in een dorp aan de IJssel; Brummen-Eerbeek 1940 -1945 van Piet Willemsens, lid en oud-secretaris van de vereniging.
 
Een dag later, op zaterdag 24 februari 1945, kwam in Loenen om 6.00 uur ’s morgens ook een ont-regelde V1 neer. Ditmaal op een werkplaats - de “Timmerschure” - aan de Hoofdweg. Een echtpaar en kind in het nabijgelegen huis zijn hierbij dodelijk verongelukt. Op dezelfde dag viel een V2 neer aan de Traandijk in Klarenbeek, waarbij mogelijk een dode viel te betreuren. Op 8 januari 1945 was al een V1 neergekomen bij de Arnhemseweg tussen Beekbergen en de Woeste Hoeve, waarbij vijf doden vielen.

Er zijn ook nog V1’s richting Antwerpen afgeschoten uit de buurt van Rotterdam en tegen het einde van de oorlog vanuit West-Nederland nog weer naar Londen, toen een V1 met grotere reikwijdte beschikbaar kwam.

De V1 campagne zou duren tot eind maart 1945, namelijk tot 29 maart toen de laatste V1 naar Engeland werd gelanceerd en neergehaald, en tot 30 maart toen de laatste V1 naar Antwerpen werd gelanceerd. In totaal zijn er zo’n 22.000 V1’s gelanceerd. Veel V1’s verongelukten bij de start of onderweg, wat leidde tot veel ellende onder de burgerbevolking in de plaatsen die in de afvuurrichting lagen. Vooral in Gelderland en Brabant zijn veel doden en gewonden gevallen door uit de koers geraakte V1’s. Uiteraard lokte de V1 ook veel geallieerde luchtaanvallen uit op vooral lanceerinstallaties en de aanvoerlijnen, waarbij de nodige burgerslachtoffers vielen. In Engelse steden vielen ca. 8.900 doden, terwijl er in Antwerpen, Brussel en Luik zo’n 6.500 doden te betreuren waren door de V1-wapens.

  •    Verslag van: Henk Koopman

Aanvulling. De heer Koopman heeft tientallen jaren onderzoek gedaan naar de V1’s. Hij bestudeerde de vele lanceerinstallaties en -plaatsen en maakte gebruik van binnen- en buitenlandse archieven. Hij is auteur van het naslagwerk Vergeltungswaffen in Nederland (uitgegeven in het Nederlands, in hardcover, 332 pagina’s). Het boek is inmiddels uitverkocht, maar nog wel in omloop.
In het Mededelingenblad De Marke is in het verleden ook aandacht besteed aan de V1, namelijk: in 2004/1 over het V1-gat in Voorstonden, in 2005/2 over De V1-neerstorting in Eerbeek herleefd, in 2014/4 over de Plaquette ter herdenking van de V1-inslag in Eerbeek en in 2015/1 over Eerbeek 23 februari 1945, van de hand van De Marke lid en oud-penningmeester Joop Zengerink.  

 

Verslag van lezing over Historische Eerbeekse beken, geschiedenis en behoud, 23 mei 2019

Op donderdag 23 mei 2019 hield de Oudheidkundige Vereniging ‘De Marke’ haar jaarvergadering in restaurant Pijnappel in Klarenbeek. Na het beëindigen van het officiële gedeelte van de vergadering, was het woord aan de heer Bert van der Saag, IVN-gids, voor zijn lezing over historische beken in Eerbeek. Ongeveer dertig leden woonden deze lezing, die voornamelijk betrekking had op het weer in historische toestand brengen van de Gravinnebeek, bij.

Eerbeek en water zijn al honderden jaren onlosmakelijk met elkaar verbonden. De eerste gebruikers van het Veluws grondwater waren de papierindustrie en de wasserijen. Nog steeds maken deze twee bedrijfstakken gebruik van dit water. Getuige van dit gebruik is de onmisbare Eerbeekse beek, die door het dorp loopt en uiteindelijk zijn weg naar de IJssel vindt.

Een minder bekende zijtak van die Eerbeekse beek is de Gravinnebeek, gelegen op het landgoed “de Molenbeek”. Deze beek is ruim een kilometer lang en staat inmiddels al dertig jaar droog. Een werkgroep, voornamelijk bestaande uit IVN-leden, heeft het plan opgevat om deze beek weer watervoerend te maken en is er met veel moeite in geslaagd dit plan ook daadwerkelijk uit te voeren. Het was een hele klus, maar het resultaat is uiteindelijk zichtbaar geworden.

Aan de Gravinnebeek stond in vroegere tijden het Kerstens Molentje. Het stond ongeveer halverwege de beek, tussen de tegenwoordige sprengen en de uitmonding in de Eerbeekse beek. Hieraan herinneren nog de nu droogstaande bovenbeek en een ruïne van een waterval, die was opgebouwd uit twee boven elkaar liggende gedeelten en een opslag van iepen. De iep was voor molenaars een belangrijke boom. Het hout werd gebruikt voor molengoten en assen van molenraderen.

              

Het water uit de sprengen voedde eertijds de Gravinnebeek, maar momenteel de Eerbeekse beek. De Gravinnebeek, de zuidelijke tak, staat droog. Dit was in de achttiende eeuw anders. In 1732 werd hierover al een juridisch proces gevoerd. Enkele molenbezitters uit Eerbeek en Voorstonden meenden dat de molen aan de Gravinnebeek - door hen als aanleggers de “Nieuwe Molen” genoemd - mede oorzaak was van te weinig watertoevoer op hun watermolens aan de Eerbeekse beek.

Met veel verhalen, foto’s en bewegende beelden werd het in historische toestand terugbrengen van de Gravinnebeek ondersteund. Een gedreven en enthousiaste IVN-medewerker bezorgde de aanwezigen een leerzame en genoeglijke avond.

  • verslag van: Jan Regelink
  • mededelingenblad De Marke, oktober 2019

 

Verslag van lezing over De geschiedenis van de Hanze, 17 oktober 2019

Op 17 oktober 2019 verzorgde de heer Henk van Manen een boeiende lezing over de geschiedenis van de Hanzesteden in Noordwest Europa. Henk van Manen studeerde na zijn gymnasiumopleiding Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteiten van Amsterdam en Durham (UK). In zijn werkzame leven was hij leraar aan Het Rhedens Rozendaal. Hij had altijd grote belangstelling voor geschiedenis; hieruit kwam zijn studie over de Hanze voort.

De Hanze was een samenwerkingsverband tussen diverse steden in hoofd-zakelijk Noordwest Europa. In grote lijnen bestond de Hanze uit twee gebieden: de Vlaamse Hanze, die zich met 17 steden uit Noord-Frankrijk en Vlaanderen vooral richtte op de handel met Londen en zijn achterland, en de Noord-Duitse Hanze.

                      

De Hanze was gegroeid uit de samenwerking van een groep steden om de handel te vergemakkelijken. Deze samenwerking gaf verschil-lende voordelen, zoals gezamenlijk vervoer, prijs-afspraken, bewaking door soldaten, privileges zoals het heffen van tol. Ook hoorde hierbij het gebruik van een hijskraan in de haven, in Danzig is hiervan nog een voorbeeld te zien.

In de 13e eeuw waren er nog geen staten zoals nu en door het gebrek aan regels waren er veel onderlinge conflicten. De Hanze bracht hierin een grote vooruitgang door het instellen van onderlinge internationale regels die de handel bevorderden. De voordelen hiervan werden steeds duidelijker en zo groeide de Hanze. Rond 1300 was de organisatie al zo gegroeid dat men kon onderhandelen met de vorsten van verschillende gebieden. Eén van de voordelen hiervan was, dat er een stabiel muntrecht kwam.  

Deze samenwerking tussen de steden resulteerde in 1356 tot de formele oprichting van de Hanze bij de eerste officiële vergadering in Lübeck. Hoewel het geheel heel los was georganiseerd, waren er op het hoogtepunt 77 zogenaamde principaalsteden aangesloten die allen weer bijsteden hadden in hun achterland. Deze principaalsteden lagen alle aan het water, aangezien het bulkvervoer van bijvoorbeeld graan, hout en ijzer, in die tijd per schip plaats vond.

De Hanze heeft ongeveer 400 jaar bestaan, met als hoofdzaak de handel naar en van de Oostzee in onder andere haring, wol, stokvis, wijn, hout, graan en specerijen. Deze goederen moesten ook onderling betaald worden. Dit gebeurde in het begin vooral door ruilhandel en later met schuldbekentenissen en goud en zilver. Ook kwam er in die tijd al bedrog voor, enkele voorbeelden hiervan zijn dat de kan die gebruikt werd voor inhoudsmaten steeds kleiner werd en de el steeds korter. Je zou kunnen zeggen dat de Hanze werkte als de huidige OPEC: men wil wel samen-werken, maar men blijft wel concurrenten van elkaar.

De laatste Hanzedag en daarmee het eigenlijke einde van de Hanze was in 1669 toen nog maar 16 steden samen kwamen, met pas in 1862 het officiële einde toen de laatste drie steden - Hamburg, Bremen en Lübeck - de Hanze opgeheven hebben.

De teloorgang van de Hanze kwam door onrust en oorlogen, zoals de 80- en 30-jarige oorlog die in die tijd speelden. Ook de opkomst van de grotere staten maakte onderlinge handel eenvoudiger. Verder werden de schepen groter en konden lang niet meer alle Hanzesteden bereiken. Een andere oorzaak was dat Holland en Zeeland de handel weg drukten. Dankzij de Hanze hadden ze hun schepen kunnen bouwen en de handel kunnen opbouwen, waardoor de scheepvaarttraditie van Holland is kunnen ontstaan.

  • verslag van: Hendrik van Oorspronk
  • mededelingenblad De Marke, december 2019